donderdag 3 maart 2016

Leesverslag Ventoux klas 4

Auteur: Bert Wagendorp
Plaats van uitgave: Amsterdam
Jaar van uitgave: 2013
Druk: 2015
Aantal pagina's: 230
Genre: Psychologische roman, avonturenroman, literaire thriller, sportverhaal, schoolverhaal.


Samenvatting:
Vijf jongens (Bart, Joost, André, David, Peter) en een meisje (Laura) vormen op het Baudartius College te Zutphen al een hechte vriendengroep. Na hun eindexamen in 1982 gaan Bart en Joost met de racefiets de berg Ventoux in de Provence beklimmen, Peter voegt zich later bij hen. Ook de anderen volgen, met de auto. Bij de afdaling verliest Peter de controle over zijn fiets en komt met zijn hoofd tegen een paaltje aan waardoor hij in een klap dood is. De vriendenkring valt uiteen, het Laura vertrekt naar Italië, en de jongens verspreiden zich over het land, en gaan allemaal verschillende dingen doen. Dertig jaren later komen hun wegen weer samen. Ze verwerken alsnog samen de rouw om de omgekomen vriend en herstellen de vriendengroep. Dit doen ze door met z'n allen hun oude woonplaats weer te bezoeken, en vervolgens proberen ze opnieuw de Ventoux te bedwingen.

Bron: http://www.lezenvoordelijst.nl/zoek-een-boek/nederlands-15-tm-19-jaar/v/ventoux/


Biografische gegevens: 

Bert Wagendorp (Groenlo, 1956) is een 59 jaar oude columnist van de Volkskrant. Hij studeerde Nederlands aan de universiteit in Groningen. Nadat hij de studie had afgerond werd hij sportverslaggever bij de Leeuwarder Courant. Na een paar jaar ging hij dit doen bij de Volkskrant, waarvoor hij 6 keer verslaggever was bij de Tour de France. Hierna werd hij de Londense correspondent. Rond deze tijd kwam ook zijn eerste roman uit, De Proloog. Het kreeg fantastische recenties en werd uiteindelijk naar het Duits vertaald. Hierna bracht hij nog een bundel uit, De dubbele schaar, en het jaar erna bracht hij een boek uit, met een verzameling sportcolumns die hij van 2000 tot 2006 had geschreven voor de Volkskrant. Hierna werd hij de algemeen columnist bij de Volkskrant.
Naast deze dingen is hij ook de mede-oprichter en hoofdredacteur van het tijdschrift De Muur. Daarnaast schrijft hij artikelen voor Hard Gras en Zwart Ijs.
Ook heeft hij een dochter, Hannah. 


Bibliografie: 
1995: De Proloog (roman)
2002: Tussen Bordeaux en Alpe d'Huez, Nederland in 100 jaar Tour de France (met Frans van Schoonderwalt en Leo van de Ruit)
2005: De dubbele schaar (verhalen)
2006: Sportleven (verzamelde sportstukken)
2008: Het kan altijd erger (verzamelde columns, met tekeningen van Jos Collignon)
2008: HNS Sportboek (met Paul Onkenhout en John Schoorl)
2009: Ard Schenk (biografie) met Wybren de Boer en Frans Oosterwijk
2010: De wereld volgens Wagendorp (verzameling columns en verhalen)
2010: Digue Ventoux (met illustraties van Sjaak Bos)
2013: Ventoux (roman)
2014: Het jongensparadijs (verzamelde columns en andere stukken)
2015: Vader en dochter boek (met dochter Hannah)

bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Bert_Wagendorp


Recensie

Fijn jongensboek gaat langs het randje 

Zolang het gaat over vrienden die geinen in de klas en zwemmen in de IJssel is Ventoux een fijn jongensboek. Maar als het meisje en de dood eraan te pas komen, gaat Bert Wagendorp met zijn verhaal langs het randje.

[Zie ook de voorpublicatie op Athenaeum.nl]

Zo gaat dat met jongens: “Binnen een dag waren we onafscheidelijk, Andréjoostenbart.” Dat was in 1969, bij de kleibak op de lagere school. Net zo vanzelfsprekend groeit het vriendenclubje op de middelbare school uit tot vijf. Jongens doen daar niet moeilijk over, die worden vrienden zonder er veel woorden aan vuil te maken.
Zo ook Bert Wagendorp, in Ventoux een schrijver die aan de gebeurtenissen het liefst zo weinig mogelijk woorden vuil maakt. ‘Laura sloot zich bij ons aan vanaf de dag dat ze het zwembad binnen kwam lopen’, vertelt zijn alter ego Bart Hoffman. Als misdaadverslaggever is hij de aangewezen verteller van het verhaal, en vertellen doet hij, zonder er doekjes om te winden. ‘Ik was onmiddellijk bezeten van Laura van Bemmel.’ Met Laura maakt ook de jaloezie zijn entree in het vriendenclubje, vanaf het allereerste moment. ‘De concurrentiestrijd kwam sluipend en onuitgesproken’, staat er even later heel uitgesproken en plotsklaps.

J.B. Schuil

Een verslaggever die dertig jaar later vertelt hoe die vijf jongens en dat ene meisje elkaar hebben leren kennen, komt daar nog mee weg. Die kan gewoon vertellen wat er gebeurde toen ze met zijn allen naar de Mont Ventoux in Zuid-Frankrijk vertrokken. Drie van die vrienden fietsten er de berg op en een van hen viel er dood. Dat was Peter, de dichter, die de berg alleen maar beklom om een gedicht te kunnen schrijven, net zoals zijn grote voorbeeld Jan Kal, die een gedicht af had toen hij de top van de Mont Ventoux had bereikt.
Ook Tim Krabbés De renner komt natuurlijk voorbij, maar dat past nog allemaal in het ingedikte karakter van een terugblik. Een verslaggever hoeft immers niet psychologisch te duiden wat er allemaal broeide tussen de vrienden en het meisje, hij brengt gewoon verslag uit.
En dat kan Wagendorp goed. De scènes waarin de vrienden elkaar voor het eerst tegen het lijf lopen zijn met vaart en humor geschreven. Ook de ontmoetingen dertig jaar later beschrijft Wagendorp met precies het juiste ouwe-jongens-krentenbroodgehalte. De sfeer van de AFC’ers of de Katjangs van J.B. Schuil, maar dan in de jaren zeventig en nu. Een jongensboek dus, maar dan voor jongens die groot zijn geworden. En zoals het schrijvers van jongensboeken betaamt laten ze hun lezers niet in het ongewisse over wat ze lezen. Tussen de regels valt niet veel te halen. What you see is what you get.

Kunstgrepen

Maar wat zou dat? In de overzichtelijke opzet van een jongensboek geeft het niet dat Wagendorp al in de proloog van zijn roman nadrukkelijk aankondigt dat we hier te maken krijgen met een klassieke terugblik op een drama van lang geleden, compleet met de louterende confrontatie die de lezer er gratis en voor niets bij krijgt. En is het ook niet erg dat hij Laura als een bommetje in het vriendenclubje dropt om een verhaal op gang te brengen. Natuurlijk rekenen we hem dat niet aan, met al die pakkende scènes over jongensvriendschappen in de klas, op een drijvend bordeel in de IJssel, met geouwehoer over meisjes en de omtrek van een pik. Kortom, Ventoux is, althans in de lange aanloop naar de laatste beklimming, gewoon een fijn jongensboek.

Toeval

Maar op weg naar de berg slaagt Wagendorp er steeds minder in de naden en kieren in zijn verhaal  weg te plamuren achter een dikke laag van – zonder meer geslaagde – scènes en  grappige typetjes. Sterker nog: hij ziet er geen been in de kunstgrepen in zijn verhaal dan maar open en bloot op tafel te leggen. Binnen korte tijd komt Bart twee vrienden tegen die hij al jaren niet heeft gezien. Toevallig, maar wat kan een schrijver doen die het toeval te hulp roept? Zijn personages er even over laten mijmeren. ‘Toeval bestaat niet. We noemen dingen toeval bij gebrek aan een betere verklaring.’

Laura is na de dood van Peter op de Mont Ventoux spoorloos verdwenen, maar duikt nu – toevallig! – ook weer op. Ze stelt voor elkaar in Zuid-Frankrijk te ontmoeten omdat ze daar als regisseuse op het theaterfestival in Avignon moet zijn. ‘Heel slecht toneelstukje’ laat Wagendorp een van de vrienden zeggen, om maar aan te geven dat het eigenlijk niet veel hout snijdt dat de vrienden meteen gehoor geven aan de lokroep van iemand die zich dertig jaar verborgen heeft gehouden. ‘We hadden ons vermogen om snel tot de overeenstemming te komen nog niet verloren.’ De twee vrienden die er nooit voor voelden een berg op te fietsen, hebben nu ook opeens ieder voor zich goede redenen om de Mont Ventoux te beklimmen.

Confrontatie

Het jongensboek is dan al lang uit en wat er overblijft is een confrontatie tussen oude vrienden die eindelijk wel eens willen weten waarom Peter zich doodreed op die berg en waarom Laura zich al die jaren heeft verstopt. In de zoektocht naar een goed antwoord raken de vrienden elkaar bijna kwijt. Ook hun schepper weet zich niet meer goed raad met de vragen die hij opriep, nu het op de antwoorden aankomt. Het wordt er allemaal ook niet beter op als Wagendorp zwaar geschut uit de boze wereld van de volwassenen van stal haalt om een eind te draaien aan zijn verhaal. Bella werd een vampier.
Jammer van dat mooie jongensboek. Gelukkig kan een roman anders dan een wielerronde behalve een proloog ook een epiloog hebben. Het geeft Wagendorp alle gelegenheid er weer dat fijne jongensboek van te maken dat Ventoux grotendeels is. Met de vrienden die in hun leven op een dood spoor waren beland, komt het dan ook helemaal goed. Ook de roman waar zij de hoofdpersonen van zijn, komt dan weer op zijn pootjes terecht. Maar wel langs het randje.

Bron: http://recensieweb.nl/recensie/fijn-jongensboek-gaat-langs-het-randje/


Interview:

Bij columnist en schrijver Bert Wagendorp viel drie jaar geleden een bericht op de digitale deurmat. Of hij een filmscenario wilde schrijven. Slechts twee eisen: Vier mannen en Ventoux. De film gaat wellicht volgend jaar in productie. De gelijknamige maar totaal verschillende roman Ventoux ligt echter al in de winkels. En met succes. Een gesprek met Bert Wagendorp in Utrecht.

Waarom per se Mont Ventoux?

Omdat die berg ergens voor staat. Het heeft natuurlijk de geschiedenis van wielrenner Tommy Simpson die daar dood neerviel. Dat maakt het voor veel renners tot een mythische plek. Er zijn er wel meer gevallen, maar híj viel dood op Ventoux. Dat maakt het extra sterk, extra navrant. Het heeft overigens niet alleen met de tour te maken, maar ook met de veel langere geschiedenis die bijvoorbeeld een Alphe d’Huez of een Col du Galibier niet hebben. Ventoux ligt in een soort cultureel centrum van Europa. De pausen zaten daar in Avignon. De liefdesroman komt er vandaan. De Italiaanse dichter en schrijver Francesco Petrarca, die ik in de inleiding opvoer, woonde er. 
Volgens de overlevering was Petrarca de eerste die Ventoux beklom. Het was voor hem echt een spirituele reis. Ik snap dat wel. Ventoux steekt boven de vlakke, enigszins glooiende Provence uit. Van boven voelt het alsof je in de hemel bent en neerkijkt op aarde. Dat hebben die andere bergen niet, want die worden gewoon omringd door andere pieken. Toen we met het bericht over dit project naar buiten traden merkten we ook onmiddellijk dat het iets losmaakte, alle media berichtten erover. Dat komt door dat ene woord: Ventoux.

De protagonist fietst naar boven en begint te hallucineren. Kan dat?

Vanaf 1800 meter, jazeker. Dat kan gebeuren door de ijle lucht. Vooral bergbeklimmers weten dat goed, die gaan natuurlijk echt hoog. Het is een heel bekend verschijnsel. Ook dat je iemand ziet, een bekende of soms jezelf. Ik ken iemand die Ventoux met slecht weer besteeg en vlak onder de top, helemaal uitgeput, zulke ervaringen kreeg. Dat hakte er bij hem zo stevig in dat hij een psychose opliep en nog lang psychiatrische behandeling nodig had. Ik heb het zelf tijdens de tour ook meegekregen. We zaten op 2500 meter hoogte in een perszaal. Je voel je dan niet fijn en wordt overvallen door een gevoel van; wat gebeurt hier? We moeten weg! Die hallucinatiescènes zijn dus niet zomaar uit de duim gezogen. Dat realiteitsgehalte is toch de journalistieke kant van mij. Dit mag dan wel fictie zijn, het moet wel echt kunnen gebeuren.

Barts vrienden begaan misstappen in hun professionele carrière. Een metafoor voor dopinggebruik in de wielersport?

Heeft er echt helemaal niets mee te maken. Ventoux gaat niet over wielrennen noch gaat het over sport. Het is een verhaal over vriendschap met fietsen als decor. Dat doe ik ook, fietsen, maar met wielrennen heeft dat niets te maken. En ik zeg helemaal niks over doping. Ik ben daar helemaal klaar mee, al die goedkope morele oordelen, dat immense gezeik. Afijn, de misdadige achtergrond van Barts vrienden, Joost en André. Ik wilde vooral laten zien dat vriendschap boven morele oordelen staat. 
Als André in de coke verzeild raakt en Joost op zijn wetenschappelijke fraude wordt gepakt zou Bart kunnen zeggen dat hij niets meer met hen te maken wil hebben. Toch doet hij dat niet, hij blijft gewoon loyaal. Er wordt hem gevraagd of hij het afkeurt, maar Bart antwoordt dat hij dat stadium al lang gepasseerd is. Ben ik zelf ook. Het oordelen en beoordelen van mensen op wat ze volgens de goegemeente wel of niet mogen doen. Je kan nooit weten wat er allemaal achter steekt. Ik denk dat er onder bankrovers heel sympathieke, fijne mensen zitten. De ware ratten zijn die brave types die nooit iets fout doen en constant oordelen over andere mensen.

Wat voor een rol speelt de tijd in Ventoux?

Ik groeide op in het Achterhoekse Groenlo, maar voor dit verhaal had ik meer ruimte nodig. Er moest een rivier zijn, zoals die aan Zutphen ligt, want net als de tijd stroomt die voorbij. Het water verandert voortdurend en oogt tegelijkertijd altijd hetzelfde. Als je een foto maakt kun je er later niet aan afzien of die op een maandag of een donderdag is gemaakt. Zo is het met de tijd ook een beetje. Als de jongens in het verhaal achttien zijn gaan ze op een bepaalde manier met elkaar om. En als ze elkaar dertig jaar later weer tegenkomen heeft de tijd weliswaar iets met ze gedaan, maar afgezien daarvan is alles bij het oude gebleven. Tijd is slechts een ordeningsprincipe, iets lineairs. In de omgang zijn ze nog steeds die jongens van toen; de grappen, de onderwerpen, de manier van praten. Dat vind ik zelf wel een van de mooie dingen uit dit verhaal.

Tim Krabbé’s De Renner komt meermaals voorbij en wordt de bijbel van wielrenners genoemd. Hoe heb jij dat boek ervaren?

Toen het verscheen was ik een- of tweeëntwintig en studeerde ik in Groningen. Opeens namen studenten een licentie om wedstrijden te kunnen fietsen. Ik niet hoor, daar rookte ik te veel voor. Maar dat boek tilde de sport op van, zeg maar het Brabantse boerenmilieu, naar de kringen van kunstenaars, schrijvers en studenten. Dat zo’n sport opeens hip werd was een soort cultuurschok. Dat een type als Krabbé, een paar boeken achter zijn naam en bekend van televisie, ging wielrennen was ongehoord! Ik fiets nu wel eens met hem, mooi is dat. 
Krabbé is een componist, een groot en onderschat schrijver. Hier heeft hij niet de erkenning gekregen die hij verdient. Moet je eens lezen wat The New York Times of The Observer destijds schreven over De Renner. Ze prezen het de hemel in terwijl het hier door de literaire elite werd afgedaan als een sportboekje. Ik weet niet waar dat aan ligt. Misschien zien we hem te veel als een verteller. Neem Coetzee, hij vindt al jaren dat John Le Carré de Nobelprijs verdient. Die vinden wij maar een simpel thrillerschrijvertje van het soort dat je op een vakantie leest. Zo denken ze daar in Engeland niet over, daar is hij een novelist.

Hoe ziet voor jou het vak schrijven eruit?            

Deze roman heb ik verdeeld over drie zomers geschreven. Het is ook echt een zomerboek denk ik, een feelgoodverhaal. Al weken tevoren was ik ermee bezig als er weer periode van schrijven aankwam, en het daadwerkelijke schrijven heeft alles bij elkaar zo’n twee maanden geduurd. Ik schrijf gewoon aan een tafel op een laptop. Dat gaat het beste als ik niet in een huiselijke omgeving ben. Daar heb ik de neiging om even de afwas weg te zetten, die boekenplank opnieuw in te richten, toch dat rondje te gaan fietsen. Er zijn te veel uitvluchten en al die afleiding moet de deur uit. Daarom heb ik af en toe een hotelkamer gehuurd. Daar ging ik heen om te schrijven en níets anders. Die verplichting werkt goed. Schrijven is een discipline. Het is simpelweg opstaan, ontbijten en aan de slag. Want dat is het gewoon; werk. Het is geen kwestie van heilige inspiratie. Als je ergens twee weken zit en geen letter op papier hebt gekregen heb je niet genoeg je best gedaan. Nou ja, misschien als je een writersblock hebt, maar daar heb ik nooit last van gehad. Ik denk toch dat op dat punt de journalist in mij opstaat. Bij de krant kun je ook niet zeggen, sorry jongens, vandaag lukt het even niet.
Elke dag schreef ik drieduizend woorden. Dat is veel. Hemingway deed er elke dag driehonderd, niet eens drieduizend. Dat deed hij elke ochtend, staand. Hij telde dan zijn woorden en ging vervolgens snel naar de haven. Dan ging hij lekker tonijn vissen op die boot in Cuba, mooi man. Driehonderd woorden per dag lijkt weinig, maar als je dat tien maanden lang volhoudt heb je een dikker boek dan Ventoux en nog zestig vrije dagen over ook, haha. Kijk, als je die discipline maar opbrengt. En geen gelul van vandaag begint het weekeinde. Nee, gewoon doorschrijven. Slechte dagen zijn nooit een excuus. Soms lijken die mindere dagen een verspilde tijd, maar als het er later allemaal uitkomt heb je kennelijk toch zitten denken. Het is ook een kwestie van in de juiste stemming komen om alles durven op te schrijven. Alle barrières moeten uit het hoofd verdwijnen. Desnoods gooi je wat je hebt geschreven later weer weg, maar je moet gewoon doortikken en niet al te veel corrigeren. Ik heb gewoon alle klei op een grote bult gegooid, net zolang totdat ik al mijn materiaal had.

In Ventoux zegt André: het gaat om kleine toevalligheden met grote gevolgen. Ben je bewust bezig met de betekenis van alle zaken in het verhaal?

Nou nee, daar heb ik helemaal niets mee. Ik heb nog nooit zo weinig gelezen als in de tijd waarin ik Nederlands studeerde, zo zwaar hebben ze me daar het lezen tegen gemaakt. De boeken die werden behandeld werden tot op het bot gefileerd. En als het niet klopte was het geen goed boek. Wat een flauwekul zeg! We leven nog naar het adagium van Hermans. Als er een mus van de dakgoot valt moet dat betekenis hebben. Maar dat soort dingen gebeurt nu eenmaal. Stel dat het nu voor onze neus gebeurt, heeft dat dan betekenis? Onzin. Het leven bestaat soms ook maar uit losse lijntjes en toevalligheden. Verhalen die rijker lijken te worden en dan weer ophouden. Zo gaat dat.

Kwam er een moment waarop je niet meer wist hoe het verder moest? 

Dat niet, maar het rare is wel dat je gevangen kan worden genomen door je eigen verhaal. Op een gegeven moment, toen ik al met het verhaal bezig was, had ik een nieuw plot verzonnen. Het probleem was dat ik iets had bedacht wat niet strookte met wat er al op papier stond. Ik dacht wat moet ik nu weer voor een rare truc verzinnen om mezelf hier uit te redden? Daar heb ik een hele dag over zitten tobben. Tot het opeens tot me doordrong; dit is míjn verhaal, in dit boek ben ik God, als ik het wil gooi ik het verhaal toch lekker om?

Tot slot een heel andere vraag: wat vind je van de Nederlandse literatuurcritici?

Ik hou gewoon van een goed verhaal. Tijdens mijn studie zat ik altijd Amerikanen, Italianen en Engelsen te lezen. Een Stephen King was hier kansloos geweest. Ordinaire vent, zouden we hebben gezegd. We hebben hier maar een klein kliekje recensenten dat bepaalt wat goed en slecht is. Die oordelen nog steeds volgens de oude literatuuropvattingen. Het moet het liefst saai zijn. Cees Notenboom, dat willen we lezen, dat vinden we fantastisch. Het mag niet swingen en rock n’ rollen, zoals Buwalda’s Bonita Avenue, dat pruimen wij niet. Tommy Wieringa krijgt na Caesarion en Dit zijn de namen eindelijk erkenning, maar zijn leukste boek Joe Speedboot werd afgedaan als een jongensboekje. Bij De Groene Amsterdammer vinden ze dat Ventoux niet deugt. Dat is prima, maar hetzelfde zeggen ze van die Wieringa en Buwalda. Zeg nou zelf, die laatste heeft toch een wereldverhaal geschreven? Soms weet ik ook niet wat ze nou eigenlijk willen. Iets saais en poëtisch waarschijnlijk. Dat is wellicht ook de reden waarom Nederland nog nooit een Nobelprijs heeft gewonnen. We zitten simpelweg niet ruim in onze verhalenvertellers. Dat komt nu pas dankzij schrijvers als Grunberg. Dat zijn tenminste niet van die navelstaarders. Zij vertellen gewoon een goed verhaal. Zulke types zetten een toon waardoor jongere schrijvers snappen dat ook dat gewoon mag en kan; gewoon een mooi verhaal vertellen.
  
 bron: http://8weekly.nl/special/boeken-specials/bert-wagendorp-bert-wagendorp-god-in-zijn-eigen-verhaal/

Column:

Ik ben geen abonnee van de volkskrant (en ik ken ook niemand die dat wel is), wat er voor zorgt dat ik zijn columns niet kan bekijken. Daarom is er hier dus ook geen column van hem te zien.


Artikel:

Autobiografische elementen in het boek Ventoux

Om erachter te komen of er autobiografische elementen verwerkt zijn in het boek 'Ventoux' is het het makkelijkst om naar de hoofdpersoon van het verhaal te kijken, dat is makkelijk omdat hij tevens de verteller is. Zijn naam is Bart Hoffman. Dat is natuurlijk geen toeval aangezien de schrijver zelf Bert heet. Er zijn natuurlijk ook nog meer dingen in het boek die aanwijzen dat het van biografische aard is. Laten we beginnen met de kindertijd van Bart. Hij was geboren in Zutphen. Dit ligt heel dicht bij de plek waar Bert is opgegroeid, Groenlo. Misschien een half uurtje met de auto, waarschijnlijk zelfs iets minder. Dus hier heeft hij duidelijk zijn eigen leven als inspiratie gebruikt. Als we wat later in het leven van Bart kijken, zien we dat hij, net als Bert, Nederlands studeerde. Daarna gingen zowel Bart als Bert bij de Volkskrant werken, als sportverslaggever, waarbij ze ook beide de Tour de France bezochten. Dit is duidelijk een autobiografisch element, aangezien dit precies hetzelfde was. Tenslotte kreeg Bert, net als de hoofdpersoon, een dochter. Hoewel ze een andere naam hebben, lijken de namen Hannah en Anna zoveel op elkaar dat er eigenlijk verder geen bewijs meer nodig is. Dan nu over op de overeenkomsten in de interesses van Bert en Bart. Aangezien het grootste deel van het boek over wielrennen gaat, is het denk ik veilig om te zeggen dat dit een van de interesses is van Bart. Omdat ook Bert wielrennen duidelijk interessant vind (hij heeft er namelijk meer dan 5 jaar over geschreven) kunnen we hier ook duidelijk gelijkenis tussen de twee personen aantreffen. Beiden vinden ze ook vriendschap belangrijk. Ook hebben ze beiden een interesse in schrijven. Bert Wagendorp is een schrijver en zoals hierboven ook al te lezen was heeft hij al heel wat boeken uitgebracht. In Ventoux is Bart ook bezig met het schrijven van een boek. En aan het eind van het boek is ook te lezen dat hij het af heeft en dat hij met zijn vrienden viert dat hij het eindelijk heeft afgeschreven, en ze proosten met elkaar. Dit is ook een duidelijke overeenkomst, en dus is het duidelijk dat ook dit een autobiografisch element is. 

Korte verduidelijking: 

De namen van de auteur en de hoofdpersoon lijken verdacht veel op elkaar. Ze zijn in hetzelfde gebied opgegroeid. Ze hebben hetzelfde gestudeerd. Ook hun carrières lijken angstaanjagend veel op elkaar. Beiden hebben een dochter, wiens namen ook verdacht veel op elkaar lijken. Ze hebben beide een interesse in wielrennen. Ze zijn alle twee schrijvers en hebben ook allebei een boek geschreven. In een interview vertelde Bert Wagendorp dat hij Bart gebaseerd heeft op zichzelf. Dat lijkt mij toch voldoende bewijs om het te geloven toch? Of niet soms?