zondag 5 juni 2016

Recensie Montyn klas 4

Algemene informatie

Montyn, Dirk Ayelt Kooiman
Amsterdam De Harmonie, 12e druk 2013
1e druk 1982 
340 pagina's
Genre: oorlogsroman



Samenvatting

In dit boek beschrijft Kooiman de levensgeschiedenis van de beeldend kunstenaar Jan Montyn in zes delen, met in totaal 24 van een titel voorziene hoofdstukken. Hier volgt een samenvatting van de belangrijkste gebeurtenissen. 

DEEL I - In Vientiane (Laos) ontmoet de ik-figuur, Jan Montyn, een gedeserteerde Amerikaanse kolonel, Ted, die in een plaatselijk eethuisje werkt. Montyn ziet in de blik van de Amerikaan dat deze een lotgenoot is: iemand die de verschrikkingen van het front heeft meegemaakt en daarom gedoemd is om rusteloos naar spanning te zoeken. Tijdens Teds relaas over zijn oorlogservaringen en zijn woorden 'Maar dat is nog niet alles' moet Montyn denken aan een van zijn meest traumatische herinneringen: tijdens een bombardement in Vietnam lag hij in een tunnel, verkeerde in doodsangst en moest terugdenken aan zijn jeugd in Oudewater. In een soort trance vertelt Montyn zijn levensloop. 

DEEL II - Jan Montyn groeit op in Oudewater, 'waar de tijd had stilgestaan'. Zijn vader heeft een schildersbedrijf en is strengcalvinistisch. De sombere sfeer van het geloof met zijn nadruk op hel en verdoemenis maakt de jongen angstig. Al gauw onttrekt hij zich aan de kerkgang ('s zondags wel twee à drie keer) door te fietsen of te zeilen. Hij heeft last van tuberculose en moet geregeld kuren. Hij tekent veel, een kunstkenner zegt dat hij talent heeft en veel moet oefenen.Als hij vijftien is, breekt de Tweede Wereldoorlog uit. Hij doet saai werk in de zaak van zijn vader en kan steeds minder de neiging onderdrukken om eropuit te trekken. Hij en zijn vader worden uitgescholden voor 'Moffenvrienden', omdat zijn vader als ouderling in een preek heeft gezegd dat elk door God gegeven gezag, dus ook de Duitse overheid, gehoorzaamd moet worden. Omdat Jan in het kader van de Arbeidsdienst niet in een fabriek wil werken, meldt hij zich in 1943 als lid van de Jeugdstorm, de jeugdorganisatie van de NSB, ondanks de protesten van zijn ouders. Met zijn vriend Hein gaat hij voor drie maanden naar een weersportkamp in Oostenrijk. De harde training door invalide frontsoldaten bevalt hem zo goed dat hij meteen tekent voor een nog zwaarder vervolgkamp van twee maanden. Bij de plaatselijke vrouwen zijn de jongens erg in trek (er is een groot mannentekort vanwege de oorlog). Jan doet zijn eerste seksuele ervaringen op; hij wordt zelfs door drie vrouwen verkracht. 

DEEL III - Jan moet werken in een fabriek in Hannover, wat hem totaal niet zint. Om zich daaraan te onttrekken, tekent hij met Hein voor de Duitse marine. Ze krijgen een opleiding in Mannheim en hebben veel te lijden van de Engelse bombardementen. Er volgt een nog zwaardere opleiding in Pommeren, waar ze te maken krijgen met de Duitse kadaverdiscipline; ze moeten vooral mijnen demonteren. Ze maken plannen om er tussenuit te knijpen. Plotseling horen ze dat ze geplaatst worden op een mijnenveger in de Oostzee. Bij een van de tochten wordt het schip getorpedeerd. Met een klein groepje overlevenden worden Jan en Hein door een mijnenveger opgepikt en naar Letland gebracht. Als pantsergrenadiers moeten zij aan het front in loopgraven tegen de Russen vechten. Er volgen negen verschrikkelijke weken, waarin ze denken aan overlopen en psychisch vrijwel kapot zitten. Hein raakt zwaar gewond en overlijdt; kort daarop wordt Jan geraakt aan zijn hoofd en naar een hospitaal gebracht. Hij denkt dat hij snel zal sterven, wat hem eigenlijk niet meer kan schelen. 

DEEL IV - Jan wordt als gewonde getransporteerd naar Flensburg in Noord-Duitsland. Zijn schip wordt getorpedeerd, ternauwernood wordt hij gered. In Flensburg revalideert hij snel. Hij mag twee weken op verlof en besluit naar Oudewater te gaan. Daar voelt hij zich niet meer thuis, al gauw wordt hij weer onrustig en keert hij terug naar Duitsland. Nabij Dresden maakt hij een verschrikkelijk bombardement mee en wordt hij ingezet bij de hulptroepen. Het einde van de oorlog beleeft Jan aan de Oder, waar hij aan het front vecht tegen de Russen.Ook de Amerikanen naderen snel. Met slechts vier overlevenden van de tweehonderd kameraden geeft hij zich aan de Amerikanen over. Als krijgsgevangene hoort hij voor het eerst over het bestaan van concentratiekampen en massale jodenvervolgingen. Hij is diep onder de indruk. 

DEEL V - Met Luc, een Belgische fascist, ontsnapt Jan uit het gevangenenkamp. In Straatsburg melden ze zich bij een bureau van het Vreemdelingenlegioen. Ze tekenen voor vijf jaar en krijgen een zware opleiding in Algerije. Het bevalt Jan slecht en als hij, klaar voor vertrek naar Indo-China om tegen de Japanners te vechten, kennis maakt met een barmeisje, besluit hij bij haar te blijven en te deserteren. Na drie weken slaat de onrust weer toe: hij vertrekt naar Straatsburg, meldt zich bij een militaire post en vertelt dat hij ontsnapt is uit een krijgsgevangenenkamp. Hij wordt opgesloten in Vught, waar hij door de bewakers van de Binnenlandse Strijdkrachten slecht wordt behandeld. Hij wordt berecht en krijgt een lichte straf: drie jaar met aftrek van voorarrest. Op 5 mei 1948 komt hij vrij en gaat werken in de zaak van zijn vader. Na twee onrustige jaren besluit hij zich te melden als UNO-soldaat om in Korea te vechten tegen de communisten. Hij raakt vrij snel gewond, knapt weer op, gaat terug naar het front en raakt dan zwaargewond: hij valt in een ravijn en kan zich niet meer bewegen. Lange tijd moet hij in Tokyo revalideren. Hij krijgt daarbij steun van de jonge Japanse Yoshika. Wanneer ze zwanger wordt, trouwen ze. Het huwelijk houdt echter niet lang stand. Na zijn terugkeer in Nederland wordt Jan tot zijn verrassing in Oudewater gehuldigd als een held. Hij blijft beroepsmilitair en wordt ingeschakeld bij de hulptroepen tijdens de watersnoodramp in 1953. Hij klimt op tot sergeant, maar het geregelde leven in de kazerne bevalt hem totaal niet. Hij heeft last van angstdromen en aanvallen van razernij en heeft voortdurend hoofdpijn. Hij gaat zich te buiten aan drankgebruik en destructief gedrag. Hij organiseert orgieën voor notabelen, dwingt militairen seksueel verkeer met hem te hebben en glijdt steeds verder af. Als een militair een klacht indient, wordt Montyn gearresteerd. Na een mislukte zelfmoordpoging belandt hij in een psychiatrische inrichting, waar een arts hem aanraadt zijn levensverhaal op schrift te stellen. Een jaar lang schrijft hij alles van zich af en worden zijn angstdromen en aanvallen minder. Montyn is dan 32 jaar. 

DEEL VI - Het is april 1975 en Jan Montyn is per vliegtuig vanuit Bangkok onderweg naar Amsterdam. Ondertussen denkt hij terug aan de jaren na zijn verblijf in de psychiatrische inrichting. Tot zijn verbazing had hij maar een zeer lage straf gekregen: drie weken gevangenisstraf en ontslag uit militaire dienst. Hij had zich gevestigd in de Amsterdamse hoerenbuurt en was gaan schilderen. Hij was er een relatie begonnen met de joodse wees Thom, die over een bijzonder ets talent bleek te beschikken. Ze hadden een jaar in Marokko gewoond. Na drie jaar was de jongen vertrokken en had zelfmoord gepleegd. Jan was verliefd geworden op de twintigjarige Sonja, was met haar naar de Provence getrokken, waar hij vier jaar met haar had gewoond. Daarna was hij begonnen met het begeleiden van transporten met adoptiekinderen uit Zuid-Oost-Azië. Als toeschouwer maakte hij de oorlog in Vietnam mee. Montyn hervat zijn levensverhaal tegenover de Amerikaan Ted in Vientiane. Ze vertellen elkaar wat ze de laatste jaren hebben meegemaakt. Montyn had gewonden in Vietnam geholpen, was eenzaam in een oerwoud verdwaald en gevangengenomen door de Zuid-Vietnamese MP, die in hem een spion zag. Ternauwernood wist hij aan executie te ontsnappen. Toen hij enkele weken later op reis was met een groep zwaargewonde kinderen, van wie er tien tijdens de vlucht stierven, had hij besloten voorgoed met de kindertransporten en met schilderen te stoppen, zijn bezittingen te verkopen en zich in een klooster terug te trekken. Het was anders gelopen. In Amsterdam had hij de 27-jarige Indonesische Hi-en ontmoet. Ze waren verliefd geworden, getrouwd en hadden zich in Frankrijk gevestigd. Na enige tijd was een dochter geboren, Carolynne. 

Bron: http://www.knipselkranten.nl/uittreksels/



Recensie 

De auteur: 
Dirk Ayelt Kooiman (1946) studeerde geschiedenis en filosofie in Amsterdam. In zijn boeken staan kunst en geschiedenis vaak centraal, thema's die je ook in Montyn terugvindt.
In 1971 schreef hij zijn eerste boek (Manipulaties) en in 1975 won hij zijn eerste prijs, voor  De grote stilte. Zijn grote doorbraak kwam in 1982 met de roman Montyn. Het boek is het levensverhaal van de schilder Jan Montyn die in de oorlog samenwerkte met de vijand. Kooiman maakte opnamen van gesprekken met Jan Montyn en reconstrueerde zo zijn leven.
Bron: www.deharmonie.nl

Ik vond dit een heel speciaal boek, het is anders dan alle boeken die ik al gelezen heb. Ik vond de gebeurtenissen die in het boek bijna perfect beschreven zijn erg intrigerend. Het voelde alsof ik in het verhaal gezogen werd, dat heb ik nog niet eerder bij Nederlandse boeken of vertalingen gehad. Ik vond vooral de manier waarop het boek geschreven was makkelijk om te lezen en te volgen tot het einde. Ik werd meegesleurd van oorlog naar oorlog, van plek naar plek en van climax naar climax. De hoofdpersoon was erg geloofwaardig omdat het verhaal gebaseerd is op een echt verhaal. Het boek zorgde ervoor dat ik ging twijfelen over wat goed en slecht was. Bestaat goed en slecht wel echt? Zo ja, hoe kunnen we het herkennen en het slechte stoppen? Het boek heeft mijn verwachtingen overtroffen. Het enige wat ik erop heb aan te merken is dat Jan Montyn en Hein gay waren is wat cliché, maar zijn alle oorlogsverhalen dat niet? 

Ik raad dit boek aan aan iedereen die van oorlogsboeken houd en geïnteresseerd is in hoe mensen in tijden van oorlogen leven en de beslissingen die ze moeten maken. Ik beloof dat je niet teleurgesteld word. Veel plezier met lezen! 

Recensent: Jasmijn Mutsaers 

dinsdag 3 mei 2016

Recensie VSV klas 4

Titel: VSV 
Schrijver: Leon de Winter
Pagina's: 464
Uitgave: 1e druk, 2012, Amsterdam
Genre: psychologische roman


Samenvatting
Theo van Gogh, de op 2 november 2004 vermoorde columnist, zit nog steeds in een bepaalde fase van het hiernamaals. Hij is in al die jaren nog niet verder dan die “kazerne” gekomen: hij is nog enkel hoofd en een andere overledene (de ex-priester Jimmy Davis) zegt dat hij de kans krijgt om weer een geheel lichaam te worden, wanneer hij een beschermengel wordt en daden van onbaatzuchtigheid tentoon spreidt. Hij mag voor de functie kiezen uit drie personen die hij mag beschermen: Ayaan Hirschi Ali, Leon de Winter of Mohammed B. (zijn moordenaar). Theo vindt het eigenlijk geen keus en dan beslist Jimmy dat hij de beschermengel moet worden van Max Kohn, een joodse onderwereldfiguur.

Deze onderwereld figuur is in die tijd in Amerika op weg naar de begrafenis van de zus van Jimmy Davis. Hij voelt zich daartoe verplicht, omdat hij bij een transplantatie het ruilhart van Jimmy heeft gekregen. Hij onderhoudt nu financieel de familie van Davis. 

In het derde hoofdstuk wordt een nieuwe verteller geïntroduceerd, Sonja. Deze is zowel de minnares geweest van Max Kohn, als van de priester Jimmy Davis die tijdens zijn leven moeite had met het celibaat. Toen op 10 september 2001 Max en Sonja van hun bed werden gelicht, had ze de relatie verbroken. Ze wilde niet verder met een crimineel, maar op dat moment was ze in verwachting van Nathan, het kind van Max. Op een eiland in de Cariben ontmoette ze de priester Jimmy Davis, die een geweldige minnaar was.

Max krijgt van de erfgenamen van Davis een foto waarop Jimmy met Sonja te zien is en dat maakt Max zo nieuwsgierig dat hij weer naar Nederland vertrekt. Sonja woont in Amsterdam. Maar het bijzondere is dat Sonja Verstraete nu weer een relatie heeft met de schrijver Leon de Winter die een half jaar daarvoor verlaten is door zijn vrouw Jessica Durlacher. Via een bevriend stel, de advocaat Bram Moskowicz en zijn jongere vriendin Eva Jinek, worden ze met elkaar in contact gebracht. Leon is flink wat ouder (58) dan de afgestudeerde arts Sonja (44) maar ze vindt rust bij hem en ze wil met hem naar Amsterdam terug. Het wordt natuurlijk allemaal wat lastiger als Leon, Sonja, en Max met elkaar in contact worden gebracht. Sonja wil namelijk niets  meer van Max weten. Max wil echter alles weten van Jimmy, van wie hij het ruilhart heeft en door wie hij zich een beter mens voelt. Max heeft jaren geleden een Marokkaanse partner gehad (Kicham Ouaziz) die twee Joegoslaven voor hem heeft neergeknald die een aanslag hadden gepleegd op Max. Die waren waarschijnlijk ingehuurd door de vader van Sonja die makelaar was en Max een loer had gedraaid. Ook Sonja’s vader  was door Max’ partner vermoord, maar Sonja was daarvan niet op de hoogte. De zoon van de huurmoordenaar Kichie, Sallie, heeft in 2012  het plan opgevat om wraak te nemen voor zijn vader en een daad te stellen in Nederland. Ze bereiden als leden van een perfect draaiend voetbalteam, een terroristische aanslag voor. Kichie blijkt bovendien in het laatste jaar van zijn gevangenisstraf te zitten, maar heeft een ongeneeslijke kanker.   

Dan komt er een flinke versnelling in het verhaal. De Marokkaanse jongens o.l.v. Sallie Ouaziz plegen een aanslag op het Muziektheater in Amsterdam en tegelijkertijd kaapt de groep een Turks vliegtuig op Schiphol. Dat merkt Sonja als een van de eersten, want zij is net van plan Amsterdam te verlaten met Nathan, omdat ze geen nieuw contact wilde met Max Kohn. Nathan is heel kwaad dat ze weer wil vluchten, want hij mag de volgende dag naar een verjaardag van een schoolvriendinnetje Lia. Hij loopt bij zijn moeder weg op Schiphol. 

Intussen komt ook burgemeester Job Cohen als personage in de roman. Hij heeft een minnares Marijke en die zit waarschijnlijk in het Muziektheater als de bom in de parkeergarage onder het gebouw  afgaat. De terroristen willen  de vliegtuiggijzelaars vrijlaten in ruil voor de vrijlating van Mohammed Boujeri (Theo’s moordenaar) en Kichie, de vader van Sallie. De laatste wil helemaal niet vrij, want hij zit nog maar kort voor zijn officiële afloop van zijn straf; bovendien heeft hij niets met de opvattingen van de extreme islamisten. Toch wordt hij met de moordenaar Mohammed B. naar Schiphol gebracht. Maar de terroristen hebben nog een derde ijzer in het vuur. Ze gijzelen de leerlingen van een Amsterdamse basisschool (de VSV) en nu is de eis dat ze Geert Wilders willen meenemen naar een Aziatisch land. Dat houdt ook in dat de minister van justitie, Piet Hein Donner, in de roman komt. Hij voelt er niets voor om Wilders mee te laten gaan, wat diens populariteit ten goede zou komen. Hij treedt dan ook in overleg met Job Cohen. En dan komt er weer een lang verstopt gebleven aap uit de mouw. Max Kohn is de halfbroer van Job Cohen (zijn vader heeft een buitenechtelijk kind verwekt bij Jobs moeder). Toen Max in 2001 werd gearresteerd, heeft Job Cohen ervoor gezorgd dat hij vrijkwam. Piet Hein Donner vindt dat er nu wel wat tegenover mag staan. Ze kunnen  geen bestorming van de school toestaan, omdat er waarschijnlijk teveel kinderen zouden sneuvelen. Ze willen nu dat Max Kohn en zijn partner Kichie de school binnengaan en Sallie proberen te overtuigen dat het niet de juiste weg is. Maar dat is ook meteen de kans voor de tot beschermengel gepromoveerde Theo van Gogh om met Max Kohn mee te gaan. Via het riool bereiken ze de kelders van de school en ze weten toegang te krijgen tot de zaal met de terroristen die de kinderen onder schot houden.

Via microfoons en camera’s kan men buiten volgen wat er binnen gebeurt en wanneer er schoten worden gelost, dreigt een fatale aanval van scherpschutters. De kleine Nathan ziet op dat moment een geweldige lichtflits, waardoor hij ineens  aan het cadeautje voor zijn vriendinnetje Lia denkt (namelijk het polshorloge in de vorm van een hartje). Hij rent met zijn vader Max naar boven en dat wordt hun redding. De scherpschutters vallen daarna namelijk binnen en schieten de terroristen dood. De kinderen worden gered.

Zes maanden later. Er komen nog twee hoofdstukken. In het eerste beschrijft Leon de Winter twee ontmoetingen. De eerste is met de ambtenaar op Binnenlandse Zaken, Frans van der veen, die het verschijnsel van de lichtflits heeft onderzocht en de conclusie moet trekken dat het een bovenaards geheel moet zijn geweest. Natuurkundig zou er niet zo’n reflectiemoment kunnen zijn geweest. Dit hoofdstuk verklaart meteen de vier memo’s die Van der ven in deel 1 aan Piet Hein Donner heeft verstuurd en die op dat moment voor de lezer nogal geheimzinnig zijn geweest, omdat ze nauwelijks in verband konden worden gebracht met de inhoud van dat deel. Maar Van der Ven wordt nu in verband gebracht met een soort afwijking in zijn hoofd. Het andere bijzondere is de verschijning van Theo van Gogh in een droom van Leon. Van Gogh spoort hem aan alles wat hij heeft meegemaakt toch vooral in een roman op te schrijven. Dat gaat Leon ook doen. Hij was immers bezig met een roman over Van Gogh.

In het allerlaatste hoofdstuk volgens we Theo van Gogh op weg naar zijn vervolmaking in het hiernamaals. Hij heeft immers zijn daad van onbaatzuchtigheid verricht en daardoor is zijn lichaam weer geheeld. Hij mag naar de volgende fase, op zijn omafiets weliswaar. Hij passeert de Goddelijke Kale die een tijdje zijn beschermengel is geweest.

Bron: http://www.scholieren.com/boek/12163/vsv/zekerwetengoed

Recensie 

VSV de moeite waard om te lezen of niet? 
VSV is een boek geschreven door Leon de Winter. Leon de Winter werd geboren op 24 februari 1954 in Den Bosch. Hij groeide op in een Joods gezin en studeerde aan de Film academie. Zonder diploma verliet hij de academie en begon boeken te schrijven. Een aantal van zijn boeken zijn verfilmd. In 1994 schreef hij ook opinie stukken voor de krant. In 2007 stopte hij hiermee. Hij heeft tot nu toe 24 boeken geschreven waarvan er vijf verfilmd zijn en een een toneelstuk van gemaakt is. Met VSV heeft hij geen prijzen gewonnen.
In het boek wil Leon de Winter voorgoed afrekenen met zijn inmiddels vermoorde kwelgeest Theo van Gogh, die hem tijdens zijn leven in columns herhaaldelijk lastig viel met zijn joodse verleden en opvattingen.  Leon  werd op een nare situatie opmerkzaam gemaakt door een  journalist die hem attent maakte op een uitzending van het “Zwarte schaap” uit 1984, waarin Van Gogh van De Winter beweerde dat hij als hobby prikkeldraad van concentratiekampen spaarde.
Ik verwachtte niet veel van dit boek, want ik wist dat dit boek toch niet op kon tegen mijn toch al veel te hoge verwachtingen. Ik verwachtte dat het een boek was die minder saai was dan de andere boeken die ik voor het vak Nederlands al had gelezen, omdat ik al deels wist waar het over ging. Ik verwachtte vooral spanning en actie. 

De beoordeling 
Over het algemeen vond ik dit boek een goed boek. Ik raad het aan voor mensen die van thrillers houden. Hoewel je door sommige stukken heen moet bijten, vond ik dat de spanning vrijwel doorliep tot het einde er zaten ook een aantal goede plottwists in die het verhaal spannend hielden. Wat ik slechter vond is de romantiek en het bovennatuurlijke beschermengel gebeuren. Er zat weinig romantiek in, want het verlangen naar mensen en de gedachtengang van de karakters was minder goed beschreven. Het bovennatuurlijke beschermengel gebeuren had een minder belangrijke rol in het verhaal waardoor die verhaallijn minder naar voren kwam waardoor deze niet veel toe te voegen had aan het verhaal. De karakters en hun transformatie door het boek heen vond ik niet erg geloofwaardig. Meer dan door de stad fietsen en met elkaar praten over hun eigen problemen doen ze niet terwijl er overal rondom hen terroristische aanslagen plaatsvinden. De burgemeester lijkt meer oog te hebben voor zijn vriendin dan voor de paniek onder de mensen en de terroristische aanslagen. Max Kohn wil ineens alles eraan doen om zijn geliefde Sonja te spreken over zijn hartdonor. Sonja wil alleen weg om Kohn te ontsnappen en haar zoontje wil juist blijven om naar zijn vriendin haar verjaardagsfeestje te gaan. Terwijl Theo alles op alles moet zetten om zijn lichaam terug te verdienen. Leon zelf wil alleen maar Sonja. De terroristen zijn gewoon gestoord. De karakters waren wat mij betreft te minimalistisch uitgewerkt en daardoor een zwakte punt voor het boek. Verder vond ik het ongeloofwaardig hoe alle karakters aan elkaar verbonden waren op de een of andere manier. Het was gewoon te toevallig te simpel te makkelijk dat had van mij uitgebreider gemogen. De verwachtingen worden wat mij betreft net gehaald. 

Ik vond dit een van de betere boeken die ik tot nu toe voor het vak Nederlands heb gelezen. Wat wel een nadeel is is dat het boek vrij dik is en bijna 500 pagina's heeft en je er dus wel op tijd mee moet beginnen. Het is een spannende literaire thriller die vrij makkelijk door te lezen is. Daarom raad ik dit boek aan voor mensen die van thrillers en dikke boeken houden. Voor de mensen die er tegenop zien om dit boek te lezen geef ik dit advies: alles wat je vandaag niet doet moet je morgen doen. Dus begin maar alvast met lezen. Succes!

Jasmijn Mutsaers

Leon de Winter – VSV of Daden van onbaatzuchtigheid. De Bezige Bij, Amsterdam 2012, 432 blz. 

donderdag 3 maart 2016

Leesverslag Ventoux klas 4

Auteur: Bert Wagendorp
Plaats van uitgave: Amsterdam
Jaar van uitgave: 2013
Druk: 2015
Aantal pagina's: 230
Genre: Psychologische roman, avonturenroman, literaire thriller, sportverhaal, schoolverhaal.


Samenvatting:
Vijf jongens (Bart, Joost, André, David, Peter) en een meisje (Laura) vormen op het Baudartius College te Zutphen al een hechte vriendengroep. Na hun eindexamen in 1982 gaan Bart en Joost met de racefiets de berg Ventoux in de Provence beklimmen, Peter voegt zich later bij hen. Ook de anderen volgen, met de auto. Bij de afdaling verliest Peter de controle over zijn fiets en komt met zijn hoofd tegen een paaltje aan waardoor hij in een klap dood is. De vriendenkring valt uiteen, het Laura vertrekt naar Italië, en de jongens verspreiden zich over het land, en gaan allemaal verschillende dingen doen. Dertig jaren later komen hun wegen weer samen. Ze verwerken alsnog samen de rouw om de omgekomen vriend en herstellen de vriendengroep. Dit doen ze door met z'n allen hun oude woonplaats weer te bezoeken, en vervolgens proberen ze opnieuw de Ventoux te bedwingen.

Bron: http://www.lezenvoordelijst.nl/zoek-een-boek/nederlands-15-tm-19-jaar/v/ventoux/


Biografische gegevens: 

Bert Wagendorp (Groenlo, 1956) is een 59 jaar oude columnist van de Volkskrant. Hij studeerde Nederlands aan de universiteit in Groningen. Nadat hij de studie had afgerond werd hij sportverslaggever bij de Leeuwarder Courant. Na een paar jaar ging hij dit doen bij de Volkskrant, waarvoor hij 6 keer verslaggever was bij de Tour de France. Hierna werd hij de Londense correspondent. Rond deze tijd kwam ook zijn eerste roman uit, De Proloog. Het kreeg fantastische recenties en werd uiteindelijk naar het Duits vertaald. Hierna bracht hij nog een bundel uit, De dubbele schaar, en het jaar erna bracht hij een boek uit, met een verzameling sportcolumns die hij van 2000 tot 2006 had geschreven voor de Volkskrant. Hierna werd hij de algemeen columnist bij de Volkskrant.
Naast deze dingen is hij ook de mede-oprichter en hoofdredacteur van het tijdschrift De Muur. Daarnaast schrijft hij artikelen voor Hard Gras en Zwart Ijs.
Ook heeft hij een dochter, Hannah. 


Bibliografie: 
1995: De Proloog (roman)
2002: Tussen Bordeaux en Alpe d'Huez, Nederland in 100 jaar Tour de France (met Frans van Schoonderwalt en Leo van de Ruit)
2005: De dubbele schaar (verhalen)
2006: Sportleven (verzamelde sportstukken)
2008: Het kan altijd erger (verzamelde columns, met tekeningen van Jos Collignon)
2008: HNS Sportboek (met Paul Onkenhout en John Schoorl)
2009: Ard Schenk (biografie) met Wybren de Boer en Frans Oosterwijk
2010: De wereld volgens Wagendorp (verzameling columns en verhalen)
2010: Digue Ventoux (met illustraties van Sjaak Bos)
2013: Ventoux (roman)
2014: Het jongensparadijs (verzamelde columns en andere stukken)
2015: Vader en dochter boek (met dochter Hannah)

bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Bert_Wagendorp


Recensie

Fijn jongensboek gaat langs het randje 

Zolang het gaat over vrienden die geinen in de klas en zwemmen in de IJssel is Ventoux een fijn jongensboek. Maar als het meisje en de dood eraan te pas komen, gaat Bert Wagendorp met zijn verhaal langs het randje.

[Zie ook de voorpublicatie op Athenaeum.nl]

Zo gaat dat met jongens: “Binnen een dag waren we onafscheidelijk, Andréjoostenbart.” Dat was in 1969, bij de kleibak op de lagere school. Net zo vanzelfsprekend groeit het vriendenclubje op de middelbare school uit tot vijf. Jongens doen daar niet moeilijk over, die worden vrienden zonder er veel woorden aan vuil te maken.
Zo ook Bert Wagendorp, in Ventoux een schrijver die aan de gebeurtenissen het liefst zo weinig mogelijk woorden vuil maakt. ‘Laura sloot zich bij ons aan vanaf de dag dat ze het zwembad binnen kwam lopen’, vertelt zijn alter ego Bart Hoffman. Als misdaadverslaggever is hij de aangewezen verteller van het verhaal, en vertellen doet hij, zonder er doekjes om te winden. ‘Ik was onmiddellijk bezeten van Laura van Bemmel.’ Met Laura maakt ook de jaloezie zijn entree in het vriendenclubje, vanaf het allereerste moment. ‘De concurrentiestrijd kwam sluipend en onuitgesproken’, staat er even later heel uitgesproken en plotsklaps.

J.B. Schuil

Een verslaggever die dertig jaar later vertelt hoe die vijf jongens en dat ene meisje elkaar hebben leren kennen, komt daar nog mee weg. Die kan gewoon vertellen wat er gebeurde toen ze met zijn allen naar de Mont Ventoux in Zuid-Frankrijk vertrokken. Drie van die vrienden fietsten er de berg op en een van hen viel er dood. Dat was Peter, de dichter, die de berg alleen maar beklom om een gedicht te kunnen schrijven, net zoals zijn grote voorbeeld Jan Kal, die een gedicht af had toen hij de top van de Mont Ventoux had bereikt.
Ook Tim Krabbés De renner komt natuurlijk voorbij, maar dat past nog allemaal in het ingedikte karakter van een terugblik. Een verslaggever hoeft immers niet psychologisch te duiden wat er allemaal broeide tussen de vrienden en het meisje, hij brengt gewoon verslag uit.
En dat kan Wagendorp goed. De scènes waarin de vrienden elkaar voor het eerst tegen het lijf lopen zijn met vaart en humor geschreven. Ook de ontmoetingen dertig jaar later beschrijft Wagendorp met precies het juiste ouwe-jongens-krentenbroodgehalte. De sfeer van de AFC’ers of de Katjangs van J.B. Schuil, maar dan in de jaren zeventig en nu. Een jongensboek dus, maar dan voor jongens die groot zijn geworden. En zoals het schrijvers van jongensboeken betaamt laten ze hun lezers niet in het ongewisse over wat ze lezen. Tussen de regels valt niet veel te halen. What you see is what you get.

Kunstgrepen

Maar wat zou dat? In de overzichtelijke opzet van een jongensboek geeft het niet dat Wagendorp al in de proloog van zijn roman nadrukkelijk aankondigt dat we hier te maken krijgen met een klassieke terugblik op een drama van lang geleden, compleet met de louterende confrontatie die de lezer er gratis en voor niets bij krijgt. En is het ook niet erg dat hij Laura als een bommetje in het vriendenclubje dropt om een verhaal op gang te brengen. Natuurlijk rekenen we hem dat niet aan, met al die pakkende scènes over jongensvriendschappen in de klas, op een drijvend bordeel in de IJssel, met geouwehoer over meisjes en de omtrek van een pik. Kortom, Ventoux is, althans in de lange aanloop naar de laatste beklimming, gewoon een fijn jongensboek.

Toeval

Maar op weg naar de berg slaagt Wagendorp er steeds minder in de naden en kieren in zijn verhaal  weg te plamuren achter een dikke laag van – zonder meer geslaagde – scènes en  grappige typetjes. Sterker nog: hij ziet er geen been in de kunstgrepen in zijn verhaal dan maar open en bloot op tafel te leggen. Binnen korte tijd komt Bart twee vrienden tegen die hij al jaren niet heeft gezien. Toevallig, maar wat kan een schrijver doen die het toeval te hulp roept? Zijn personages er even over laten mijmeren. ‘Toeval bestaat niet. We noemen dingen toeval bij gebrek aan een betere verklaring.’

Laura is na de dood van Peter op de Mont Ventoux spoorloos verdwenen, maar duikt nu – toevallig! – ook weer op. Ze stelt voor elkaar in Zuid-Frankrijk te ontmoeten omdat ze daar als regisseuse op het theaterfestival in Avignon moet zijn. ‘Heel slecht toneelstukje’ laat Wagendorp een van de vrienden zeggen, om maar aan te geven dat het eigenlijk niet veel hout snijdt dat de vrienden meteen gehoor geven aan de lokroep van iemand die zich dertig jaar verborgen heeft gehouden. ‘We hadden ons vermogen om snel tot de overeenstemming te komen nog niet verloren.’ De twee vrienden die er nooit voor voelden een berg op te fietsen, hebben nu ook opeens ieder voor zich goede redenen om de Mont Ventoux te beklimmen.

Confrontatie

Het jongensboek is dan al lang uit en wat er overblijft is een confrontatie tussen oude vrienden die eindelijk wel eens willen weten waarom Peter zich doodreed op die berg en waarom Laura zich al die jaren heeft verstopt. In de zoektocht naar een goed antwoord raken de vrienden elkaar bijna kwijt. Ook hun schepper weet zich niet meer goed raad met de vragen die hij opriep, nu het op de antwoorden aankomt. Het wordt er allemaal ook niet beter op als Wagendorp zwaar geschut uit de boze wereld van de volwassenen van stal haalt om een eind te draaien aan zijn verhaal. Bella werd een vampier.
Jammer van dat mooie jongensboek. Gelukkig kan een roman anders dan een wielerronde behalve een proloog ook een epiloog hebben. Het geeft Wagendorp alle gelegenheid er weer dat fijne jongensboek van te maken dat Ventoux grotendeels is. Met de vrienden die in hun leven op een dood spoor waren beland, komt het dan ook helemaal goed. Ook de roman waar zij de hoofdpersonen van zijn, komt dan weer op zijn pootjes terecht. Maar wel langs het randje.

Bron: http://recensieweb.nl/recensie/fijn-jongensboek-gaat-langs-het-randje/


Interview:

Bij columnist en schrijver Bert Wagendorp viel drie jaar geleden een bericht op de digitale deurmat. Of hij een filmscenario wilde schrijven. Slechts twee eisen: Vier mannen en Ventoux. De film gaat wellicht volgend jaar in productie. De gelijknamige maar totaal verschillende roman Ventoux ligt echter al in de winkels. En met succes. Een gesprek met Bert Wagendorp in Utrecht.

Waarom per se Mont Ventoux?

Omdat die berg ergens voor staat. Het heeft natuurlijk de geschiedenis van wielrenner Tommy Simpson die daar dood neerviel. Dat maakt het voor veel renners tot een mythische plek. Er zijn er wel meer gevallen, maar híj viel dood op Ventoux. Dat maakt het extra sterk, extra navrant. Het heeft overigens niet alleen met de tour te maken, maar ook met de veel langere geschiedenis die bijvoorbeeld een Alphe d’Huez of een Col du Galibier niet hebben. Ventoux ligt in een soort cultureel centrum van Europa. De pausen zaten daar in Avignon. De liefdesroman komt er vandaan. De Italiaanse dichter en schrijver Francesco Petrarca, die ik in de inleiding opvoer, woonde er. 
Volgens de overlevering was Petrarca de eerste die Ventoux beklom. Het was voor hem echt een spirituele reis. Ik snap dat wel. Ventoux steekt boven de vlakke, enigszins glooiende Provence uit. Van boven voelt het alsof je in de hemel bent en neerkijkt op aarde. Dat hebben die andere bergen niet, want die worden gewoon omringd door andere pieken. Toen we met het bericht over dit project naar buiten traden merkten we ook onmiddellijk dat het iets losmaakte, alle media berichtten erover. Dat komt door dat ene woord: Ventoux.

De protagonist fietst naar boven en begint te hallucineren. Kan dat?

Vanaf 1800 meter, jazeker. Dat kan gebeuren door de ijle lucht. Vooral bergbeklimmers weten dat goed, die gaan natuurlijk echt hoog. Het is een heel bekend verschijnsel. Ook dat je iemand ziet, een bekende of soms jezelf. Ik ken iemand die Ventoux met slecht weer besteeg en vlak onder de top, helemaal uitgeput, zulke ervaringen kreeg. Dat hakte er bij hem zo stevig in dat hij een psychose opliep en nog lang psychiatrische behandeling nodig had. Ik heb het zelf tijdens de tour ook meegekregen. We zaten op 2500 meter hoogte in een perszaal. Je voel je dan niet fijn en wordt overvallen door een gevoel van; wat gebeurt hier? We moeten weg! Die hallucinatiescènes zijn dus niet zomaar uit de duim gezogen. Dat realiteitsgehalte is toch de journalistieke kant van mij. Dit mag dan wel fictie zijn, het moet wel echt kunnen gebeuren.

Barts vrienden begaan misstappen in hun professionele carrière. Een metafoor voor dopinggebruik in de wielersport?

Heeft er echt helemaal niets mee te maken. Ventoux gaat niet over wielrennen noch gaat het over sport. Het is een verhaal over vriendschap met fietsen als decor. Dat doe ik ook, fietsen, maar met wielrennen heeft dat niets te maken. En ik zeg helemaal niks over doping. Ik ben daar helemaal klaar mee, al die goedkope morele oordelen, dat immense gezeik. Afijn, de misdadige achtergrond van Barts vrienden, Joost en André. Ik wilde vooral laten zien dat vriendschap boven morele oordelen staat. 
Als André in de coke verzeild raakt en Joost op zijn wetenschappelijke fraude wordt gepakt zou Bart kunnen zeggen dat hij niets meer met hen te maken wil hebben. Toch doet hij dat niet, hij blijft gewoon loyaal. Er wordt hem gevraagd of hij het afkeurt, maar Bart antwoordt dat hij dat stadium al lang gepasseerd is. Ben ik zelf ook. Het oordelen en beoordelen van mensen op wat ze volgens de goegemeente wel of niet mogen doen. Je kan nooit weten wat er allemaal achter steekt. Ik denk dat er onder bankrovers heel sympathieke, fijne mensen zitten. De ware ratten zijn die brave types die nooit iets fout doen en constant oordelen over andere mensen.

Wat voor een rol speelt de tijd in Ventoux?

Ik groeide op in het Achterhoekse Groenlo, maar voor dit verhaal had ik meer ruimte nodig. Er moest een rivier zijn, zoals die aan Zutphen ligt, want net als de tijd stroomt die voorbij. Het water verandert voortdurend en oogt tegelijkertijd altijd hetzelfde. Als je een foto maakt kun je er later niet aan afzien of die op een maandag of een donderdag is gemaakt. Zo is het met de tijd ook een beetje. Als de jongens in het verhaal achttien zijn gaan ze op een bepaalde manier met elkaar om. En als ze elkaar dertig jaar later weer tegenkomen heeft de tijd weliswaar iets met ze gedaan, maar afgezien daarvan is alles bij het oude gebleven. Tijd is slechts een ordeningsprincipe, iets lineairs. In de omgang zijn ze nog steeds die jongens van toen; de grappen, de onderwerpen, de manier van praten. Dat vind ik zelf wel een van de mooie dingen uit dit verhaal.

Tim Krabbé’s De Renner komt meermaals voorbij en wordt de bijbel van wielrenners genoemd. Hoe heb jij dat boek ervaren?

Toen het verscheen was ik een- of tweeëntwintig en studeerde ik in Groningen. Opeens namen studenten een licentie om wedstrijden te kunnen fietsen. Ik niet hoor, daar rookte ik te veel voor. Maar dat boek tilde de sport op van, zeg maar het Brabantse boerenmilieu, naar de kringen van kunstenaars, schrijvers en studenten. Dat zo’n sport opeens hip werd was een soort cultuurschok. Dat een type als Krabbé, een paar boeken achter zijn naam en bekend van televisie, ging wielrennen was ongehoord! Ik fiets nu wel eens met hem, mooi is dat. 
Krabbé is een componist, een groot en onderschat schrijver. Hier heeft hij niet de erkenning gekregen die hij verdient. Moet je eens lezen wat The New York Times of The Observer destijds schreven over De Renner. Ze prezen het de hemel in terwijl het hier door de literaire elite werd afgedaan als een sportboekje. Ik weet niet waar dat aan ligt. Misschien zien we hem te veel als een verteller. Neem Coetzee, hij vindt al jaren dat John Le Carré de Nobelprijs verdient. Die vinden wij maar een simpel thrillerschrijvertje van het soort dat je op een vakantie leest. Zo denken ze daar in Engeland niet over, daar is hij een novelist.

Hoe ziet voor jou het vak schrijven eruit?            

Deze roman heb ik verdeeld over drie zomers geschreven. Het is ook echt een zomerboek denk ik, een feelgoodverhaal. Al weken tevoren was ik ermee bezig als er weer periode van schrijven aankwam, en het daadwerkelijke schrijven heeft alles bij elkaar zo’n twee maanden geduurd. Ik schrijf gewoon aan een tafel op een laptop. Dat gaat het beste als ik niet in een huiselijke omgeving ben. Daar heb ik de neiging om even de afwas weg te zetten, die boekenplank opnieuw in te richten, toch dat rondje te gaan fietsen. Er zijn te veel uitvluchten en al die afleiding moet de deur uit. Daarom heb ik af en toe een hotelkamer gehuurd. Daar ging ik heen om te schrijven en níets anders. Die verplichting werkt goed. Schrijven is een discipline. Het is simpelweg opstaan, ontbijten en aan de slag. Want dat is het gewoon; werk. Het is geen kwestie van heilige inspiratie. Als je ergens twee weken zit en geen letter op papier hebt gekregen heb je niet genoeg je best gedaan. Nou ja, misschien als je een writersblock hebt, maar daar heb ik nooit last van gehad. Ik denk toch dat op dat punt de journalist in mij opstaat. Bij de krant kun je ook niet zeggen, sorry jongens, vandaag lukt het even niet.
Elke dag schreef ik drieduizend woorden. Dat is veel. Hemingway deed er elke dag driehonderd, niet eens drieduizend. Dat deed hij elke ochtend, staand. Hij telde dan zijn woorden en ging vervolgens snel naar de haven. Dan ging hij lekker tonijn vissen op die boot in Cuba, mooi man. Driehonderd woorden per dag lijkt weinig, maar als je dat tien maanden lang volhoudt heb je een dikker boek dan Ventoux en nog zestig vrije dagen over ook, haha. Kijk, als je die discipline maar opbrengt. En geen gelul van vandaag begint het weekeinde. Nee, gewoon doorschrijven. Slechte dagen zijn nooit een excuus. Soms lijken die mindere dagen een verspilde tijd, maar als het er later allemaal uitkomt heb je kennelijk toch zitten denken. Het is ook een kwestie van in de juiste stemming komen om alles durven op te schrijven. Alle barrières moeten uit het hoofd verdwijnen. Desnoods gooi je wat je hebt geschreven later weer weg, maar je moet gewoon doortikken en niet al te veel corrigeren. Ik heb gewoon alle klei op een grote bult gegooid, net zolang totdat ik al mijn materiaal had.

In Ventoux zegt André: het gaat om kleine toevalligheden met grote gevolgen. Ben je bewust bezig met de betekenis van alle zaken in het verhaal?

Nou nee, daar heb ik helemaal niets mee. Ik heb nog nooit zo weinig gelezen als in de tijd waarin ik Nederlands studeerde, zo zwaar hebben ze me daar het lezen tegen gemaakt. De boeken die werden behandeld werden tot op het bot gefileerd. En als het niet klopte was het geen goed boek. Wat een flauwekul zeg! We leven nog naar het adagium van Hermans. Als er een mus van de dakgoot valt moet dat betekenis hebben. Maar dat soort dingen gebeurt nu eenmaal. Stel dat het nu voor onze neus gebeurt, heeft dat dan betekenis? Onzin. Het leven bestaat soms ook maar uit losse lijntjes en toevalligheden. Verhalen die rijker lijken te worden en dan weer ophouden. Zo gaat dat.

Kwam er een moment waarop je niet meer wist hoe het verder moest? 

Dat niet, maar het rare is wel dat je gevangen kan worden genomen door je eigen verhaal. Op een gegeven moment, toen ik al met het verhaal bezig was, had ik een nieuw plot verzonnen. Het probleem was dat ik iets had bedacht wat niet strookte met wat er al op papier stond. Ik dacht wat moet ik nu weer voor een rare truc verzinnen om mezelf hier uit te redden? Daar heb ik een hele dag over zitten tobben. Tot het opeens tot me doordrong; dit is míjn verhaal, in dit boek ben ik God, als ik het wil gooi ik het verhaal toch lekker om?

Tot slot een heel andere vraag: wat vind je van de Nederlandse literatuurcritici?

Ik hou gewoon van een goed verhaal. Tijdens mijn studie zat ik altijd Amerikanen, Italianen en Engelsen te lezen. Een Stephen King was hier kansloos geweest. Ordinaire vent, zouden we hebben gezegd. We hebben hier maar een klein kliekje recensenten dat bepaalt wat goed en slecht is. Die oordelen nog steeds volgens de oude literatuuropvattingen. Het moet het liefst saai zijn. Cees Notenboom, dat willen we lezen, dat vinden we fantastisch. Het mag niet swingen en rock n’ rollen, zoals Buwalda’s Bonita Avenue, dat pruimen wij niet. Tommy Wieringa krijgt na Caesarion en Dit zijn de namen eindelijk erkenning, maar zijn leukste boek Joe Speedboot werd afgedaan als een jongensboekje. Bij De Groene Amsterdammer vinden ze dat Ventoux niet deugt. Dat is prima, maar hetzelfde zeggen ze van die Wieringa en Buwalda. Zeg nou zelf, die laatste heeft toch een wereldverhaal geschreven? Soms weet ik ook niet wat ze nou eigenlijk willen. Iets saais en poëtisch waarschijnlijk. Dat is wellicht ook de reden waarom Nederland nog nooit een Nobelprijs heeft gewonnen. We zitten simpelweg niet ruim in onze verhalenvertellers. Dat komt nu pas dankzij schrijvers als Grunberg. Dat zijn tenminste niet van die navelstaarders. Zij vertellen gewoon een goed verhaal. Zulke types zetten een toon waardoor jongere schrijvers snappen dat ook dat gewoon mag en kan; gewoon een mooi verhaal vertellen.
  
 bron: http://8weekly.nl/special/boeken-specials/bert-wagendorp-bert-wagendorp-god-in-zijn-eigen-verhaal/

Column:

Ik ben geen abonnee van de volkskrant (en ik ken ook niemand die dat wel is), wat er voor zorgt dat ik zijn columns niet kan bekijken. Daarom is er hier dus ook geen column van hem te zien.


Artikel:

Autobiografische elementen in het boek Ventoux

Om erachter te komen of er autobiografische elementen verwerkt zijn in het boek 'Ventoux' is het het makkelijkst om naar de hoofdpersoon van het verhaal te kijken, dat is makkelijk omdat hij tevens de verteller is. Zijn naam is Bart Hoffman. Dat is natuurlijk geen toeval aangezien de schrijver zelf Bert heet. Er zijn natuurlijk ook nog meer dingen in het boek die aanwijzen dat het van biografische aard is. Laten we beginnen met de kindertijd van Bart. Hij was geboren in Zutphen. Dit ligt heel dicht bij de plek waar Bert is opgegroeid, Groenlo. Misschien een half uurtje met de auto, waarschijnlijk zelfs iets minder. Dus hier heeft hij duidelijk zijn eigen leven als inspiratie gebruikt. Als we wat later in het leven van Bart kijken, zien we dat hij, net als Bert, Nederlands studeerde. Daarna gingen zowel Bart als Bert bij de Volkskrant werken, als sportverslaggever, waarbij ze ook beide de Tour de France bezochten. Dit is duidelijk een autobiografisch element, aangezien dit precies hetzelfde was. Tenslotte kreeg Bert, net als de hoofdpersoon, een dochter. Hoewel ze een andere naam hebben, lijken de namen Hannah en Anna zoveel op elkaar dat er eigenlijk verder geen bewijs meer nodig is. Dan nu over op de overeenkomsten in de interesses van Bert en Bart. Aangezien het grootste deel van het boek over wielrennen gaat, is het denk ik veilig om te zeggen dat dit een van de interesses is van Bart. Omdat ook Bert wielrennen duidelijk interessant vind (hij heeft er namelijk meer dan 5 jaar over geschreven) kunnen we hier ook duidelijk gelijkenis tussen de twee personen aantreffen. Beiden vinden ze ook vriendschap belangrijk. Ook hebben ze beiden een interesse in schrijven. Bert Wagendorp is een schrijver en zoals hierboven ook al te lezen was heeft hij al heel wat boeken uitgebracht. In Ventoux is Bart ook bezig met het schrijven van een boek. En aan het eind van het boek is ook te lezen dat hij het af heeft en dat hij met zijn vrienden viert dat hij het eindelijk heeft afgeschreven, en ze proosten met elkaar. Dit is ook een duidelijke overeenkomst, en dus is het duidelijk dat ook dit een autobiografisch element is. 

Korte verduidelijking: 

De namen van de auteur en de hoofdpersoon lijken verdacht veel op elkaar. Ze zijn in hetzelfde gebied opgegroeid. Ze hebben hetzelfde gestudeerd. Ook hun carrières lijken angstaanjagend veel op elkaar. Beiden hebben een dochter, wiens namen ook verdacht veel op elkaar lijken. Ze hebben beide een interesse in wielrennen. Ze zijn alle twee schrijvers en hebben ook allebei een boek geschreven. In een interview vertelde Bert Wagendorp dat hij Bart gebaseerd heeft op zichzelf. Dat lijkt mij toch voldoende bewijs om het te geloven toch? Of niet soms?












  
    

maandag 11 januari 2016

Kort verhaal interpeteren klas 4

Ik dacht dat Finland verzonnen was door Delphine Lecompte.

Waarom dacht de hoofdpersoon dat Finland niet bestaat?
Omdat ze misschien ver weg woont en simpelweg nog niet zo vaak van het land gehoord had. Het zou ook kunnen dat haar ouders er grapjes of sprookjes over vertelde zodat de hoofdpersoon zich gaat afvragen of het wel bestaat. Ook kan het zijn dat ze gewoon niet zoveel buiten komt en weinig sociale contacten heeft en daardoor niet zoveel wereld kennis heeft. 

Waarom weet ze hoeveel knoflookpersen haar moeder heeft?
De hoofdpersoon heeft waarschijnlijk een heel hechte band met haar moeder of ze is gewoon erg geïnteresseerd in knoflookpersen.

Waarom zegt ze dat ze seks opgaf terwijl ze prostituee geworden is?
Waarschijnlijk was de hoofdpersoon aan het praten over haar verleden omdat ze ook verleden tijd gebruikt. 'Ik gaf sex op, vrat kersenbonbons op het ongebruikte kopieerapparaat van mijn vakbondsheld, en liet mij gelaten uitschelden door mijn vakbondsheld'. Ook kan het misschien zijn dat ze goede sex opgaf. En om gemiste tijden in te halen en misschien omdat ze geen andere opties meer had is ze prostituee geworden. 

Waarom denkt ze telkens aan sprookjes figuren?
Waarschijnlijk omdat haar ouders haar vroeger heel veel sprookjes hebben vertelt en ze heeft ook een jeugd trauma, maar het is niet zo duidelijk waardoor. Dat verklaart ook waarom ze zo slap reageert telkens als er iets gebeurd. Ze leeft een beetje in haar eigen wereld en hoopt dat zij ooit de mooie prinses wordt omdat ze zichzelf lelijk vindt en ze hoopt dan haar prins op het witte paard vindt, maar als de jaren verstreken zonk die droom steeds verder naar de bodem en werd het een nachtmerrie. Dan komt Bingo, een beetje laat, maar toch en probeert haar in het zadel te krijgen van zijn witte paard, maar zij heeft de zin van het leven al lang opgegeven en ze is te oud geworden voor nachtmerries. Uit mededogen besluit ze dan toch maar mee te gaan met Bingo naar een land uit haar dromen met haar prins, maar ze ziet hem niet. Hoe erg Bingo ook probeert. 

Waarom kijkt ze er niet van op als bingo vermoord is? 
Omdat ze in haar droomwereld leeft en alles wat zij doet, alles wat ze ziet lijkt zo onwerkelijk voor haar dat het niet erg tot haar door dringt. Of ze heeft het vaker mee gemaakt wat haar jeugd trauma zou verklaren. Het zou ook nog kunnen dat ze het verwacht had, maar dat sprak erg tegen mijn intuïtie in wanneer ik het verhaal las, want nergens in de tekst blijkt dat ze het verwacht had. Al denkt ze wel aan haar dode vader vlak voordat ze Bingo dood op de vensterbank aantreft. 

Waarom werd bingo vermoord?
Dit is een erg lastige vraag, omdat je niet weet wie het heeft gedaan. Misschien was het voor geld, maar de prostituee heeft waarschijnlijk niet veel geld en over Bingo weten we niet veel. Per ongeluk? Waarschijnlijk niet, want je kunt iemand niet per ongeluk vermoorden door tuingereedschap in zijn buik te stoppen, bovendien heeft de hoofdpersoon niks van geschreeuw gehoord of in ieder geval niet dat ze het laat blijken. Een ander vraagstuk is waarom de moordenaar de hoofdpersoon heeft laten leven terwijl hij/zij Bingo wel vermoordt. Misschien heeft de hoofdpersoon het geschreeuw wel gehoord, maar besloot vervolgens om zo stil mogelijk te blijven zitten zodat de moordenaar haar niet zou vinden en dacht vervolgens na over haar dode vader omdat ze er vrijwel zeker van was dat Bingo of dood of dodelijk gewond was. Dat verklaart ook gelijk waarom ze er niet van opkeek toen zij Bingo dood op de vensterbank aantrof. 

Slot 

Ik vond het een interesant verhaal omdat er zoveel open plekken waren, maar die je met een beetje gissen toch wel redelijk kon dichten. 

Het gesprek
We hebben niet echt veel over dit verhaal gezegd, want het meeste was wel duidelijk, behalve dat je er even aan moet wennen dat het een heel raar verhaal is, maar als je je er meer in gaat verdiepen wordt het steeds duidelijker wat er nu eigenlijk wel niet staat. Ik vond het gesprek niet echt nuttig, want je had  de antwoorden ook zelf wel kunnen vinden.